Verloren licht

Het was de zomer van 1976. Samen met mijn vrienden Thomas en Karel gingen we in een

VW-busje richting de Spaanse kust. We vertrokken, te laat vanwege een versleten bougie die

nog even vervangen moest worden, op een broeierige zondagmorgen vanuit Crooswijk in

Rotterdam. Karel achter het stuur, en Thomas en ik met een pakje speelkaarten op de

achterbank. Het was onze eerste reis samen, ook al kenden we elkaar al vanaf de lagere

school.

De reis verliep voorspoedig. Van slapen langs de wilde rivieren in de Ardennen tot rondjes

rijden rondom de Arc de Triomphe. Op een zo nu en dan zure Franse politieagent na,

scheurden we Frankrijk relatief snel door. Tot Marseille. Daar werden we door een lekke

koppakking genoodzaakt om voor een langere tijd langs het strand te vertoeven. Terwijl het

busje bij de garage stond, huurden wij een caravan op de plaatselijke camping. En toen begon

het gedonder.

Thomas en ik zagen de lol er wel van in, dit hoorde nu eenmaal bij een autotrip. Karel zag dat

anders. Die zat vooral met de auto in zijn maag.

“Maar wat als het stervensduur is? Wat als het niet te maken valt?” bleef hij maar zeuren.

Na zijn zoveelste klaagzang, volgde de eerste echte ruzie van de trip. Thomas en Karel

hadden een hoogoplopende woordenwisseling waarna Karel ons vroeg hem maar gewoon

even met rust te laten. Hij bleef op de camping achter en Thomas en ik gingen stoom afblazen

bij één of andere strandtent.

Ik weet het nog goed. Thomas liep naar de bar, en ik zocht buiten een lekker plekje op. En

daar, aan de rand van het terras, waar het zand langzaam de vlonder over begon te nemen, zat

ze. Zongebruind, blonde haren, een grote zonnebril en een prachtige lach. In een kort broekje

van spijkerstof en neon oranje bikinitop, sprong ze er voor mij direct uit tussen alle

roodgebakken Engelsen en te witte Hollanders. Over de rand van haar zonnebril keek ze me

aan, en op het moment dat er bij haar kuiltjes in de wangen begonnen te vormen, ontpopten

bij mij in mijn buik honderden vlinders. Ik had dit gevoel nog nooit eerder gehad, maar ik

wist dat ik er iets mee moest. Ik moest op haar afstappen.

“He, gozert, laat hem lekker gaan joh. Dat komt wel goed”, riep Thomas over het geluid van

de muziek.

“Huh, wat bedoel je?” vroeg ik, omdat ik totaal niet met hem bezig was op dat moment.

“Karel. Die stresskip. Laat het even los joh, dat doe ik toch ook? Nou, hup, stop met voor je

uit staren en drink. Proost!”

Thomas ging voor me staan en drukte een biertje in mijn handen. Tevergeefs probeerde ik

nog over zijn schouders heen te kijken, maar toen was ze al verdwenen. De gemiste kans

dronk ik de rest van de avond van me af.

De volgende morgen liep ik met een flinke kater en een nieuwe rol toiletpapier naar de

toiletruimte van de camping. Shit, alles was bezet. Ik zette de toiletrol op de wasbak en keek

mezelf eens goed aan in de spiegel.

‘Ik ben verdomme zelf ook zo’n verbrande kreeft...’ denk ik bij mezelf, toen ik zag dat de

vellen van m’n schouders afbladderden.

Op het moment dat er een hokje vrij kwam, gooide ik nog snel wat water in mijn gezicht om

wat op te frissen. En net op het moment dat ik mijn toiletrol wil pakken, zie ik dat deze vlak

voor mijn neus weggekaapt wordt. Een harde giechel klinkt vanuit het damestoilet als ik zie

dat een zongebruinde hand met spierwitte nagels míjn toiletrol meeneemt.

“He, doe eens niet joh!” riep ik nog ietwat boos.

“Stel je niet aan, je bent toch een grote jongen!” riep de brutale meid uit het toilethokje.

“Dames gaan voor toch?”

Mijn buik speelde op.

“Duurt het nog lang?”

Wederom een giechel.

Ongeduldig stormde ik het vrouwentoilet binnen. Ik hief mijn vuist om op het deurtje te

kloppen, wanneer deze plots open zwaait.

Daar stond ze.

Met diezelfde kuiltjes.

En diezelfde blonde haren.

Met een grote grijns op haar gezicht, en mijn toiletrol in haar hand.

“Bedankt he!” en ze drukte de toiletrol tegen m’n borst.

“Eh...eh... graag gedaan.” stamelde ik. De oprispingen in mijn buik maakten plaats voor

diezelfde vlinders als gisteravond.

“Ik ben... Piet.” floep ik er nog uit, terwijl ze langs me heen loopt om haar handen te wassen.

“Elise.” zei ze, terwijl ze mij met haar natte hand een hand gaf.

“Elise,” herhaalde ik haar naam, “zag ik jou gisteravond niet bij de strandbar?”

“Weet ik niet. Zag je mij?”

“Volgens mij wel. Op het terras.”

“Oh. Geen idee.”

Ze schudde haar hoofd opzichtig, en trok haar schouders op.

“Ben je hier al lang?” vroeg ik.

“Lang genoeg om te weten dat ik jou hier nog niet gezien heb. Is het je eerste keer hier op de

camping in Marseille?”

Ik vroeg of ze me een klein moment kon excuseren en of we na mijn toiletbezoek verder

konden praten. Maar wanneer ik het hokje uit kom, is ze wederom verdwenen.

“Elise...” fluisterde ik tegen mezelf, toen ik terug naar de caravan liep.

De rest van de dag heb ik alleen maar met een glimlach rondgelopen.

Diezelfde avond moest en zou ik weer naar die strandtent gaan, in de hoop Elise tegen te

komen. Karel en Thomas lagen wederom in de clinch over de auto en ik besloot er dan maar

gewoon in m’n eentje heen te gaan.

“Mannen, ik ga ervandoor. Als jullie me zoeken ben ik op het strand.”

Met een biertje in de hand ging ik op één van de loungestoelen hangen, en met iedere nieuwe

stem die de tent binnen kwam, keek ik vol verwachting omhoog.

“Wacht je op iemand?” hoorde ik naast me, nadat ik voor de zoveelste keer mijn nek

verrekte.

Ik draaide me om en zag haar.

Ongezien was Elise op de loungestoel naast me komen liggen.

“Elise! Wat leuk! Eh, nee. Nee, ik dacht gewoon dat ik een bekende hoorde.” verzon ik ter

plekke.

“Zo Piet, daar liggen we dan. En nu?” zei ze plagerig.

Een onvergetelijke avond volgde op die ene vraag. Terwijl de zon langzaam onder ging,

kletsten we over van alles en nog wat. Ik vertelde haar over mijn dromen, en de reis die ik

met Thomas en Karel voor ogen had. Zij vertelde mij over haar avonturen die ze elk jaar op

de camping van Marseille beleefde. Dat haar ouders de eigenaren kenden en ze minstens zes

weken per jaar op de camping stond. Ook vertelde ze me dat ze het liefst niet meer terug

wilde naar Nederland, naar het burgerlijke Hardinxveld-Giessendam.

Op den duur vroeg ik of ze met me over het strand wilde wandelen, weg van de drukte van

het terras.

“Alleen als je m’n handje vasthoudt.”

Na een lange strandwandeling volgde onze enige zoen. Zij gaf deze aan mij. Ondanks de

bravoure waarmee ik en mijn vrienden altijd de kroeg rondkeken op zoek naar meiden, had ik

het niet snel in mij zitten om de eerste stap te zetten. Thomas noemde mij altijd angsthaas, ik

noemde het respect.

Ze noemde het fijn. Voor mij was het onvergetelijk. Waar ik eerst nog twijfelde, wist ik het

toen zeker – ik was verliefd. Smoorverliefd.

“Zullen we morgen weer afspreken?” vroeg ik haar, maar een antwoord bleef uit. Op dat

moment werden we ruw onderbroken door Karel en Thomas. Karel had bericht van de garage

dat de auto gemaakt was, en dat we dat moesten vieren.

Elise liet mijn hand los en schonk me nog eenmaal een lach.

“Ga, heb plezier met je vrienden. Het was fijn!” riep ze, toen ze zich terugtrok naar het

donker, richting de camping.

Verdoofd bleef ik achter, met een uitzinnige Karel en Thomas om mijn nek.

“Wie was dat?” vroeg Karel nog.

“Elise...” zuchtte ik. De vlinders in mijn buik maakten plaats voor een knoop in de maag.

Karel drukte een biertje in mijn handen en samen trokken ze me mee naar het terras. Het

werd een leuke avond, ondanks de gedachte dat ik Elise mogelijk niet meer ging zien.

De volgende ochtend vertrokken we, lichtelijk met een kater, richting de grens met Spanje en

vervolgden we onze reis. En Elise? Die heb ik nooit meer gezien.

“Maar opa, is dit haar niet?” Een klein kinderhandje wijst naar iemand op de polaroidfoto die

opa Piet in zijn handen heeft.

Een foto genomen op die laatste avond in Marseille. Karel, Thomas en Piet omhelzen elkaar

op het terras van de strandtent terwijl ze naar de camera lachen. En achter hen, in de sterke

schaduw van de flits... staat Elise. Met haar zongebrande huid en blonde haren.

“Krijg nou wat..." zucht Piet met een krakerige stem. “Dat is me echt nog nooit opgevallen...”

“Maar opa... ze zoent hier met iemand anders.” zegt zijn kleindochter bijdehand.

En zo... tientallen jaren na die ene avond in Marseille, vervlogen ook zijn laatste vlinders

voor Elise.

Verloren licht was een inzending voor de 2025 Zomerverhaal Schrijfwedstrijd, georganiseerd door S&B.

Volgende
Volgende

Winter van As