Winter van As
H1 – Brekend ijs
De angst is nog zichtbaar in haar uitgepuilde ogen. Een blauw aangelopen tong hangt uit haar bek met de kaken onnatuurlijk wijd gespreid. Het jonge kalf moet in pure paniek zijn geweest toen het verdronk onder het ijs. Op het dikke ijs van de sloot, staat naast het kalf een jonge vrouw. Tullia is haar naam. Ze staart naar het kalf en ze slikt. De knoop in haar maag wordt alsmaar groter wanneer ze naar de bevroren emotie van het kalf kijkt.
‘Arm ding’
Plots wordt een groot touw aan de voeten van Tullia geworpen, en dit lijkt haar uit diepe gedachten te trekken.
“Hier, bind dit maar om de poten.” zegt vader Titus vanaf de kant.
Tullia pakt het touw en knoopt het om de poten van het kalf. Pijnscheuten schieten vanuit haar vingertoppen door haar onderarmen wanneer ze de koude hoeven van het dier te lang in haar handen heeft. Met een stevige knoop bindt ze het touw vast aan het kalf en schuifelt snel maar voorzichtig over het gladde ijs naar de kant. Met haar warme adem probeert ze haar handen snel op te warmen.
“Breekt dat niet af, vader?” vraagt Tullia bezorgd, wanneer Titus de paard-en-wagen klaarmaakt om het kalf uit de sloot te trekken.
Titus, in volle concentratie terwijl hij druk bezig is, reageert niet op haar vraag.
“Kan ik?” bromt hij.
“Ja... Probeer het maar.” knikt Tullia vanaf de sloot.
De paard-en-wagen komt langzaam op gang. Het magere paard van Tullia, Fortuna, zet zich schrap en briest, zijn adem verandert direct in ijskristallen. De dikke laag ijs op de sloot kraakt, maar er komt weinig beweging in het kalf. Nog altijd blijft het kalf Tullia diep in haar ogen aankijken, alsof het haar zelfs na de dood nog om hulp vraagt.
“Nog iets harder!” roept ze.
Titus brult naar Fortuna en slaat met de teugels. Het paard schrikt op en rent hard naar voren. Te hard.
Een hard gekraak schiet vanuit het ijs over het land. Het kalf breekt los en glijdt met een enorme snelheid recht op de kant af. Door de botsing met de bevroren grond breekt het hoofd net onder de nek regelrecht van het lichaam, en rolt door tot onder haar Tullia haar voeten. Ze schrikt en slaakt een kreet.
“Laten we dat ook maar achterin gooien.” wijst Titus zonder blikken of blozen naar de kop van het dier. Hij stapt af en helpt Tullia met tillen. De laconieke houding van haar vader haalt de spanning bij haar weg. Ze klimt op de kar en bedekt het lichaam met stro. Snel werpt ze ook nog een deken over de kop – ze kan er niet meer naar kijken.
“Hopelijk is dit goed genoeg.” zegt ze tegen Titus, terwijl ze de laatste flap van het kleed om het kalf wikkelt.
“Lieverd, het vriest harder dan het kille hart van Boreas. Dat vlees blijft echt nog wel even goed.” stelt hij haar gerust. Tullia klimt naast haar vader op de wagen en trekt snel een deel van zijn berenvel over haar schouders. Ze is klein van stuk en verdwijnt zowat in de mantel van haar vader. Haar zwarte haren lopen over in de roetzwarte vacht van wat ooit een grote beer geweest moet zijn. Het puntje van haar wipneus is door de kou zo rood als de roodste wijn, evenals de blos op haar wangen. Tullia is net achttien, en werkt aan de rand van het dorp op de boerderij van haar vader Titus.
“Wie is er nu de Beer van Subsilvium?!” grapt Titus. Hij kijkt trots langs zijn schouder naar beneden. Een twinkeling ontstaat in haar groene ogen, Tullia kijkt haar vader vol bewondering aan.
Ze rijden het pad richting de boerderij op. Het land ligt er triest bij. Een dikke laag sneeuw bedekt de hoopjes grond waar normaliter tijdens doorgaans zachtere winters, graan uit zou moeten steken. Tullia richt haar blik op de horizon. Hun huis – de boerderij – aan de rand van het bos, doemt op. Het bos is ondanks de vorst nog altijd dichtbegroeid en strekt zich ver uit over de berg.
“Wat denkt u, vader?” vraagt Tullia, “Komt het nog goed dit jaar?”
“Zolang wij de winter doorkomen, is er niets aan de hand. We kunnen altijd opnieuw zaaien. Toch?” knipoogt hij.
Tullia weet dat haar vader zich groothoudt. De volledige oogst is door de strenge vorst mislukt. Iedere week hebben ze minder voedsel; voor zichzelf, voor het vee, maar ook voor de dorpsgenoten uit Subsilvium die deels afhankelijk zijn van hun oogst.
“Gelukkig kunnen we ondanks alles, het dorp nog steeds van dienst zijn.” zegt Titus terwijl hij met zijn hoofd naar het kalf gebaart. “Van akkerbouwer naar veehouder naar slager... en dat in één winter!" Titus lacht, maar de blik in zijn ogen verraad de pijn die achter de lach schuilgaat. “Weet je wat lieverd, als jij deze week nu eens met je moeder naar de markt gaat. Kijken wat de handel doet, hoe het met de andere boeren gaat. In dit soort tijden moeten we er voor elkaar zijn.”
Tullia knikt.
“En neem dan ook nog maar een paar van die flessen wijn van Aerelius mee. Hij staat nog bij ons in het krijt voor die twee kippen die hij heeft gekregen. We kunnen de warmte van een goede wijn wel gebruiken.” zegt hij lachend terwijl hij Tullia een duwtje met zijn schouder geeft.
De paard-en-wagen komt aan bij de grote schuur van de boerderij. Met zijn lichte pleisterlaag valt de schuur vrijwel weg in het besneeuwde landschap. Alleen de rode bakstenen steken af tegen het winterse uitzicht. Wat opvalt is de grote ronde kuil in de grond, achter de schuur. Op het oog leeg en diep, met hier en daar wat potten bevroren voorraad. Maar wanneer Tullia een goede blik op de kuil werpt, ziet ze nog net wat zwarte haren heen en weer schieten. Via een touw langs de rand van de kuil komt een grote jongeman naar boven geklommen. Het is Decimus, Tullia haar oudere broer. Tullia en Decimus schelen maar twee jaar, maar Decimus lijkt nu al in alles op zijn vader. Met zijn brede schouders, grote neus, roetzwarte haren en grote formaat lijkt hij een regelrechte kopie van Titus. Zijn tuniek is aan de onderkant doorweekt door de verse laag sneeuw die de bodem van de kuil bedekt.
“Ik neem het wel van je over zus. Ga maar even opwarmen binnen.” knipoogt hij.
Tullia stapt van de kar en loopt via de stallen naar het huis. Even blijft ze staan en laat ze haar gedachten naar de afgelopen maanden gaan; nog geen halfjaar geleden stonden hier nog zes gezonde en sterke paarden. Hoe schrijnend is de situatie nu. Ze werpt een blik achterom, naar Fortuna. Uitgemergeld, moe, en trillend op zijn benen staat hij voor de kar.
Tullia zucht.
Decimus en Titus zijn ondertussen druk bezig het kalf langzaam de kuil in te laten zakken.
“Voorzichtig Decimus, ze breekt al als je ernaar kijkt. In grote stukken hebben we er meer aan.”
Trillend zet Fortuna soms een klein stapje naar voren, om te voorkomen dat hij met kar en al de kuil in glijdt. Het arme paard kan het nog maar net aan.
Dan schrikt Tullia op van een zwerm vogels die als een zwart krijsend deken in de wind, in een razend tempo vanuit het bos overvliegt. Er volgt een brom - een heel luide brom. Als donder zonder bliksem rolt deze diep vanuit de krochten van het bos, via de grond richting Tullia en dringt door tot haar kern.
‘Waar komt dat toch vandaan?’
Maar nog voordat Tullia kan ontdekken waar het geluid vandaan komt, begint de grond onder haar voeten hevig te trillen. De ijzige sneeuw klettert in een razend tempo van het dak, pal voor haar neus. Ze bevriest van schrik en staat aan de grond vastgenageld. Het krakende geluid van een gigantische scheur in het pleisterwerk van het huis klinkt dichtbij haar oren. Ze gilt.
“Papa!”
Benieuwd hoe het verhaal afloopt? Winter van as is nu beschikbaar op Amazon Kindle en de Kobo Store.
Winter van As was een inzending voor de 2024 Donkere Dagen Schrijfwedstrijd, georganiseerd door Rebel Books.